Leerdoelen en -uitkomsten
Hoofdstuk 1: Introductie van de SDG’s
Leerdoelen
1. De student kan de ontstaansgeschiedenis van de Sustainable Development Goals (SDG’s) uitleggen. De student begrijpt hoe de SDG’s zijn ontstaan en kan de historische context van de SDG’s beschrijven, met aandacht voor de overgang van de Millennium Development Goals (MDG’s) naar de bredere en integrale SDG-agenda.
2. De student kan uitleggen wat duurzame ontwikkeling is. De student begrijpt dat er sprake moet zijn van een ideaal evenwicht tussen ecologische, sociale en economische belangen op mondiale schaal. Ook weet de student dat de SDG-agenda een raamwerk is om aan duurzame ontwikkeling te werken.
3. De student kan uitleggen hoe je met het SDG-raamwerk duurzame impact kunt meten. De student begrijpt dat het raamwerk meer bevat dan alleen de zeventien doelen. De student kent het verschil tussen doelen, targets en indicatoren en begrijpt wanneer je die kunt inzetten om impact op de zeventien doelen (en duurzame ontwikkeling) te meten.
4. De student kan de onderlinge samenhang en systematiek van de SDG’s analyseren. De student leert dat de SDG’s geen losstaande doelen zijn, maar een onderling verbonden systeem. Begrippen als synergieën, trade-offs en systeemdenken helpen de student te begrijpen waarom een integrale
benadering noodzakelijk is voor duurzame ontwikkeling.
5. De student kan de 5P’s voor duurzaamheid en de SDG-bruidstaart toelichten als modellen voor het structureren van de SDG’s. Om die samenhang beter te kunnen duiden, maakt de student kennis met de 5P’s voor duurzaamheid (People, Planet, Prosperity, Peace & Partnership) en het SDG-bruidstaartmodel van het Stockholm Resilience Centre (SRC). De student begrijpt dat het 5P-model helpt om SDG’s te groeperen in belangrijke duurzaamheidsthema’s. Ook leert de student dat de SDG-bruidstaart een hiërarchie aanbrengt in duurzaamheidsthema’s met ecologie als fundament.
Leeruitkomst
Na afronding van hoofdstuk 1 is de student is staat om de ontstaansgeschiedenis, opbouw en onderlinge integrale samenhang van de SDG’s uit te leggen en te analyseren, met inbegrip van de toepassing van modellen zoals de 5P’s voor duurzaamheid en de SDG-bruidstaart voor een integrale benadering van duurzame ontwikkeling.
Hoofdstuk 2: Urgentie & positionering van de SDG’s
Leerdoelen
1. De student kan uitleggen waarom de Sustainable Development Goals (SDG’s) noodzakelijk zijn voor het behoud van een leefbare aarde. De student kan onder meer de betekenis van Planetary Boundaries, Earth Overshoot Day, de CO₂-piek, zeespiegelstijging en het mensenrecht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu uitleggen. De student leert deze vraagstukken te koppelen aan de urgentie van duurzaam handelen in de gebouwde omgeving. De student begrijpt dat Nederland structureel boven haar ecologische draagkracht leeft en wat dat betekent voor toekomstige vastgoedontwikkeling, -exploitatie en -investeringen.
2. De student kan de zes nationale transities herkennen, beschrijven en koppelen aan relevante SDG’s. Kennis van deze transities helpt de student om de systeemveranderingen te plaatsen, die nodig zijn voor duurzame ontwikkeling. De student leert welke thema’s prioriteit hebben in Nederland.
3. De student kan zes specifieke duurzame transities in de gebouwde omgeving (energie, klimaatmitigatie, circulariteit, gezondheid & welzijn, natuurinclusieve gebieden en integrale samenwerking voor duurzame ontwikkeling) herkennen, beschrijven en koppelen aan relevante SDG’s. De student leert hoe de Nederlandse transities (zie leerdoel 2.) doorwerken in de vastgoedsector.
4. De student kan de relatie duiden tussen de SDG’s en (inter)nationale wet- en regelgeving. De student kan de relatie uitleggen tussen de SDG’s en belangrijke (inter)nationale wet- en regelgeving, waaronder EU Green Deal, EU Taxonomy, CSRD, ESRS, VSME en EPBD IV.
5. De student kan de verschillen en samenhang tussen Corporate Social Responsibility (CSR), SDG’s en Environmental, Social & Governance (ESG) toelichten, inclusief hun rol in beleid, strategie, rapportage en impactmeting. Door het onderscheid en de verbinding tussen deze begrippen te begrijpen, kan de student de juiste kaders kiezen voor de beroepspraktijk en verantwoording afleggen richting stakeholders.
6. De student kan beschrijven hoe de SDG’s, transities en regelgeving concreet van invloed zijn op vastgoedontwikkeling, -exploitatie en -investeringen. Dit leerdoel maakt de brug naar de beroepspraktijk. De student leert hoe de opgedane kennis kan worden toegepast in planvorming, ontwerp, uitvoering en exploitatie van vastgoed.
Leeruitkomst
Na afronding van hoofdstuk 2 is de student in staat om de noodzaak van de SDG’s te onderbouwen aan de hand van landelijke transities en specifieke duurzame transities in de vastgoedsector. De student herkent de impact van systeemtransities op de gebouwde omgeving. De student legt verbanden tussen de SDG’s, CSR, ESG en (inter)nationale wet- en regelgeving. De student kan deze kennis toepassen op strategische keuzes in de vastgoedpraktijk.
Hoofdstuk 3: SDG’s & de vastgoedsector
Leerdoelen
1. De student kan analyseren hoe elk van de zeventien Sustainable Development Goals (SDG’s) direct of indirect verbonden is met de vastgoedsector, inclusief concrete toepassingen en relevante targets. De student bestudeert per SDG de concrete link met vastgoedactiviteiten, zoals betaalbare huisvesting (SDG 1), duurzame energie (SDG 7) en biodiversiteit (SDG 15). De student leert hoe specifieke targets richting geven aan projecten en beleid.
2. De student kan beoordelen hoe vastgoedactiviteiten synergieën en trade-offs tussen verschillende SDG’s kunnen veroorzaken en kan daar strategisch op inspelen. De student leert dat acties voor het ene doel (bijvoorbeeld zonnepanelen plaatsen (SDG 7)) soms nadelige effecten kunnen hebben op een ander doel (bijvoorbeeld het gebruik van schaarse grondstoffen (SDG 12)). De student ontwikkelt het inzicht om deze effecten te wegen en keuzes te maken die brede meerwaarde opleveren.
3. De student kan de SDG’s toepassen op praktijkvoorbeelden uit de vastgoedsector, zoals betaalbare huisvesting, circulair bouwen, klimaatadaptatie en inclusieve stedelijke ontwikkeling. De student oefent met het vertalen van de SDG’s naar concrete maatregelen in ontwerp, ontwikkeling en exploitatie, zoals het opstellen van een klimaatadaptatieplan, het opnemen van biobased materialen in een project en het opstellen van analysekaders bij aanbestedingen.
4. De student kan reflecteren op het realiseren van duurzame, inclusieve en klimaatbestendige gebouwen en gebieden, inclusief samenwerking met publieke en private partners. De student leert hoe cruciaal de samenwerking met gemeenten, woningcorporaties, investeerders, bewoners en andere stakeholders is, om de SDG’s te behalen.
Leeruitkomst
Na afronding van hoofdstuk 3 is de student in staat om de relatie tussen vastgoedactiviteiten en de zeventien SDG’s met praktijkvoorbeelden te onderbouwen, relevante targets te benoemen en concrete aanbevelingen te formuleren om duurzame, inclusieve en klimaatbestendige oplossingen in de vastgoedsector te realiseren.
Hoofdstuk 4: SDG’s & vastgoedorganisaties
Leerdoelen
1. De student kan uitleggen waarom vastgoedorganisaties kiezen voor de SDG’s als duurzaamheidsraamwerk en welke voordelen en beperkingen dit raamwerk met zich meebrengt. Hierbij ligt de nadruk op toepasbaarheid, stakeholderherkenning, reputatieverbetering en het onderscheid met bijvoorbeeld GRI en GRESB.
2. De student kan de vijf stappen van het SDG Compass benoemen en kan toelichten hoe deze in de praktijk worden doorlopen in een vastgoedorganisatie. Van begrijpen en prioriteren tot rapporteren; de student kent het gehele proces én de onderliggende logica.
3. De student kan de SDG-medewerkersenquête en de materialiteitsmatrix toepassen als instrumenten voor het bepalen van de belangrijkste SDG’s in de eigen organisatiecontext. Dit omvat het doel, de werkwijze en de interpretatie van resultaten, inclusief aandacht voor blinde vlekken en stakeholderperspectieven. De student begrijpt ook dat een integrale benadering belangrijk is bij het prioriteren van de SDG’s voor de organisatie om greenwashing te voorkomen.
4. De student kan de koppeling maken tussen de SDG’s en kernactiviteiten in de vastgoedsector op basis van de EU Taxonomy en het meervoudig waardecreatiemodel. De student herkent hoe verschillende vastgoedactiviteiten bijdragen aan milieudoelen en maatschappelijke waarde en leert werken met het inputthroughput-output-outcome model voor meervoudige waardecreatie.
5. De student kan toelichten hoe organisaties duurzaamheid transparant maken via CSRD en ESG en hoe die bijdragen aan good governance en het voorkomen van greenwashing. De nadruk ligt op het belang van transparantie, betrouwbaarheid, stakeholderbetrokkenheid en het nut van meetbare indicatoren.
Leeruitkomst
Na afronding van hoofdstuk 4 kan de student benoemen en toepassen hoe vastgoedorganisaties de Sustainable Development Goals (SDG’s) kunnen gebruiken als richtinggevend kompas voor duurzaamheid. De student kan deze duurzame ontwikkelingsdoelen vertalen naar de vijf stappen: de SDG’s begrijpen (1.), prioriteiten definiëren (2.), doelen stellen (3.), doelen integreren (4.) én rapporteren & communiceren (5.) van het SDG Compass. Daarbij weet de student gebruik te maken van de SDG-medewerkersenquête, de materialiteitsmatrix, de EU Taxonomy, het meervoudig waardecreatiemodel, CSRD, good governance
en ESG.
Hoofdstuk 5: SDG’s & vastgoedprofessionals
Leerdoelen
1. De student kan per functie in de vastgoedsector, zoals projectontwikkelaar, makelaar, taxateur en beleidsadviseur beschrijven hoe deze bijdraagt of kan bijdragen aan de implementatie van specifieke Sustainable Development Goals (SDG’s). Hiermee krijgt de student inzicht in de rolgebonden verantwoordelijkheden en keuzemogelijkheden in relatie tot duurzaamheid, zoals circulair bouwen, vergroening en sociale inclusie.
2. De student kan aan de hand van de SDG-bruidstaart ecologische, sociale en economische opgaven per functie identificeren in een vastgoedproject en integrale afwegingen maken bij besluitvorming. De student leert de samenhang tussen verschillende duurzaamheidsdoelen te begrijpen en leert complexe belangen te balanceren bij ontwerp, ontwikkeling en exploitatie.
3. De student kan concrete duurzame maatregelen voorstellen voor vastgoedprojecten vanuit verschillende rollen, zoals klimaatadaptieve maatregelen, inzet op hergebruik van materialen, participatief ontwerpen en energie-efficiëntie. Dit leerdoel stimuleert het praktisch toepassen van kennis in realistische beroepssituaties.
4. De student kan het belang van samenwerking tussen vastgoedprofessionals en ketenpartners toelichten als voorwaarde voor het realiseren van systeemverandering in de gebouwde omgeving. Vastgoedprofessionals functioneren als verbinders. Dat vraagt om communicatieve en strategische vaardigheden in integrale projectteams.
5. De student reflecteert op de eigen persoonlijke en professionele rol bij de verduurzaming van de vastgoedsector, onder andere via de lens van de Inner Development Goals (IDG’s) en het concept van morele ambitie. De student wordt gestimuleerd na te denken over de maatschappelijke betekenis van de eigen (toekomstige) loopbaan en de persoonlijke motivatie en waarden.
Leeruitkomst
Na afronding van hoofdstuk 5 is de student in staat om, voor de in dit hoofdstuk besproken functies in de vastgoedsector, een SDG-actieplan te formuleren. Dat actieplan gaat over de mogelijke bijdrage aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Dat doet de student door specifieke SDG’s te vertalen naar integrale keuzes vanuit ecologische, sociale en economische opgaven én door maatregelen in vastgoedprojecten en samenwerking met ketenpartners te bevorderen. Daarbij reflecteert de student bewust op de eigen professionele en morele verantwoordelijkheid.
Hoofdstuk 6: Tools
Leerdoelen
1. De student kan uitleggen welke zes duurzaamheidsopgaven centraal staan in de verduurzaming van de gebouwde omgeving en hoe deze zijn afgeleid van de Sustainable Development Goals (SDG’s) en internationale wet- en regelgeving. De student begrijpt dat de opgaven energie, klimaatmitigatie, circulariteit, gezondheid & welzijn, natuurinclusieve gebieden en integrale samenwerking voor duurzame ontwikkeling voortkomen uit de SDG’s. Die kennis helpt om de relatie tussen abstracte duurzaamheidskaders en praktische toepassingen in de gebouwde omgeving te duiden.
2. De student kan herkennen en benoemen welke duurzame tools veel worden toegepast per duurzaamheidsopgave: energie, klimaatmitigatie, circulariteit, gezondheid & welzijn, natuurinclusieve gebieden en integrale samenwerking voor duurzame ontwikkeling. De student leert welke tools per thema veel worden gebruikt in de praktijk. Die kennis is belangrijk om in de beroepspraktijk gericht tools te kunnen selecteren, toepassen of opvragen in projecten of aanbestedingen.
3. De student kan het verschil toelichten tussen verplichte en facultatieve tools, weet op welk schaalniveau de tools worden toegepast en kan uitleggen wat hun functie is in vastgoedprojecten, zoals wet- en regelgeving, certificering of rapportage. De student begrijpt dat sommige tools juridisch verplicht zijn (zoals MPG en BENG), terwijl andere vrijwillig worden ingezet (zoals WELL en GRESB) om doelen aan te tonen, ambities te verhelderen en/of prestaties te verbeteren. Het inzicht in dit onderscheid is essentieel voor compliance, projectvoorbereiding en verantwoording richting opdrachtgevers of toezichthouders. De student weet ook wanneer een tool op gebouw-, gebieds-, portefeuille- of organisatieniveau wordt toegepast.
4. De student kan concreet toelichten hoe diverse tools kunnen bijdragen aan het realiseren van specifieke SDG’s en kan per tool de koppeling met relevante SDG’s beschrijven. De student begrijpt dat tools niet losstaan van bredere maatschappelijke doelen. Door per tool de koppeling te leggen met de meest relevante SDG’s, kan de student bijdragen aan strategische discussies over duurzaamheid, verslaglegging en beleidsontwikkeling in (vastgoed)organisaties en bij overheden.
5. De student kan analyseren welke tools relevant zijn in een concreet vastgoedproject of werkcontext en reflecteren op hun meerwaarde voor duurzaamheid, regelgeving, prestaties en strategie. De student kan, afhankelijk van projectfase, gebouwtype of stakeholders, onderbouwde keuzes maken voor het gebruik van bepaalde tools. Daarbij reflecteert de student op de functionele en strategische meerwaarde van die tools, bijvoorbeeld bij het aantonen van prestaties, het managen van klimaatrisico’s of het realiseren van duurzaamheidsdoelen.
Leeruitkomst
Na afronding van hoofdstuk 6 is de student in staat om zes duurzame transities in de gebouwde omgeving te benoemen in relatie tot de SDG’s. De student is in staat om per duurzame transitie passende tools te selecteren en verklaart hun juridische en strategische functie in vastgoedprojecten. De student koppelt die tools aan relevante SDG’s en onderbouwt hun meerwaarde voor duurzaamheid,
prestaties, compliance en beleidsontwikkeling in een concrete werkcontext.
Hoofdstuk 7: SDG’s: verleden, heden & toekomst
Leerdoelen
1. De student kan de mondiale, Europese en Nederlandse voortgang op de SDG’s in de periode 2015-2025 beschrijven en duiden. De student kan uitleggen waarom Nederland daalt op de SDG-ranglijst, ondanks goede prestaties op brede welvaart en kan de rol van spillover-effecten toelichten, zoals de negatieve impact van Nederlandse consumptie op andere landen.
2. De student kan positieve én negatieve ontwikkelingen op het gebied van SDG’s in de vastgoedsector benoemen en analyseren. De student kan benoemen dat er vooruitgang is op het gebied van energiezuinige gebouwen en circulair bouwen (SDG 7, SDG 11 en SDG 12), maar ook dat de woningmarkt minder toegankelijk is geworden voor kwetsbare groepen (SDG 1 en SDG 10).
3. De student kan verklaren waarom de SDG’s in de vastgoedsector (nog) onvoldoende integraal zijn ingebed en welke obstakels hieraan bijdragen. De student kan uitleggen dat veel organisaties de SDG’s vooral als marketinginstrument gebruiken zonder fundamentele verandering. De student kan ook benoemen dat regelgeving en aanbestedingen nog onvoldoende zijn afgestemd op sociale en ecologische waarden.
4. De student kan beschrijven welke transities en systeemveranderingen nodig zijn richting 2030 en daarna én deze vertalen naar de vastgoedpraktijk. De student kan toelichten waarom de gebouwde omgeving moet overstappen van ‘bouwen in stenen’ naar ‘ontwikkelen in functies’ en wat dat betekent voor thema’s als klimaatadaptatie en sociale inclusie.
5. De student begrijpt het belang van levenslang leren, onderwijs en communicatie voor het realiseren van de SDG’s en kan dit toepassen op de rol van vastgoedprofessionals. De student kan aangeven waarom onderwijs over duurzaamheid in álle vakgebieden nodig is en benoemen hoe vastgoedprofessionals via inspirerende communicatie en positieve verhalen de maatschappelijke impact van vastgoed zichtbaar kunnen maken.
Leeruitkomst
Na afronding van hoofdstuk 7 is de student in staat om de mondiale, Europese en Nederlandse ontwikkelingen rondom de SDG’s in de periode 2015-2025 te analyseren en kritisch te reflecteren op de rol van de vastgoedsector hierin. De student herkent kansen en belemmeringen voor verduurzaming, benoemt benodigde transities richting 2030 en daarna én past deze kennis toe op de eigen (toekomstige) beroepspraktijk in de gebouwde omgeving.
Hoofdstuk 8: Duurzame idealen & de realiteit
Leerdoelen
1. De student kan analyseren welke politieke, maatschappelijke en economische krachten bijdragen aan tegenkracht of weerstand tegen de SDG’s. De student kan benoemen hoe overheden, burgers en bedrijven vanuit eigen belangen en perspectieven de SDG’s bekritiseren of ondermijnen en kan voorbeelden geven van polarisatie.
2. De student kan kritisch reflecteren op informatie en bronnen over duurzaamheid en de SDG’s. De student kan feiten van fictie onderscheiden, de betrouwbaarheid van verschillende typen bronnen beoordelen en bewust greenwashing en misleiding herkennen in de vastgoedpraktijk.
3. De student kan verklaren hoe veranderingsprocessen in de vastgoedsector verlopen en welke obstakels hierbij een rol spelen. De student begrijpt het model van Kurt Lewin (ontdooien – veranderen – bevriezen) en kan dit toepassen op de transities, die belangrijk zijn in de vastgoedsector, inclusief de maatschappelijke en institutionele belemmeringen.
4. De student kan financiële en organisatorische barrières in verduurzaming benoemen en analyseren. De student kan uitleggen hoe kortetermijndenken, shareholder value en agency-problemen verduurzaming vertragen en waarom langetermijnperspectieven, zoals het Long Now-denken essentieel zijn.
5. De student kan sociale en psychologische factoren in besluitvorming rond duurzaamheid herkennen en duiden. De student kan begrippen als cognitieve dissonantie en groupthink toepassen op casussen uit de vastgoedpraktijk en daarbij aangeven hoe deze mechanismen duurzame innovaties belemmeren.
6. De student kan strategieën formuleren om effectief om te gaan met weerstand, onzekerheid en polarisatie. De student kan onderbouwen waarom kritisch denken, verandermanagement, inclusief leiderschap en het onderscheiden feiten en fictie cruciaal zijn voor het realiseren van de SDG’s in de vastgoedsector en kan een strategie formuleren om daarmee aan de slag te gaan.
Leeruitkomst
Na afronding van hoofdstuk 8 is de student in staat om de kloof tussen duurzame idealen en de weerbarstige praktijk in de vastgoedsector te analyseren. De student kan politieke, economische, sociale en psychologische obstakels benoemen én strategieën ontwikkelen om ondanks weerstand en polarisatie bij te dragen aan duurzame transities in de gebouwde omgeving.